zondag 1 augustus 2010

De aap en de ara's

Tijdens mijn dierentuinbezoek ben ik getuige van een leuke interactie tussen deze aap en twee ara’s. De aap probeert tot twee keer toe de ara’s te benaderen, waarop de ara’s hem wegjagen op hun specifieke aramanier. Het lijkt me dat het gewoon spel is maar toch vraag ik deze dieren naar die situatie.
Het leuke is tijdens mijn kennismaking met de aap, waarin ik hem uitleg met wat voor soort dieren ik allemaal contact heb, dat hij totaal geen aansluiting vindt bij het woord gevangenschap. Dit dier voelt zich dus kennelijk heerlijk vrij hier. Ik vraag hem waarom hij op de ara’s af ging en hoor dat hij het leuk vindt als ze wegvliegen. Maar dat deden ze dit keer niet, helaas voor hem. Hij was degene die moest afdruipen.
De ara’s vertellen dat deze aap vaker komt. Het is gewoon ‘geëtter’ van hem, hij wil gewoon ‘rellen schoppen’. Ze zijn er vrij nuchter in: gewoon wegjagen dat dier! En daarna weer lekker met elkaar bezig zijn.

De olifant

Als ik contact maak met deze olifant, lijkt ze meteen een speeltje van me te maken. Ze reageert uitbundig, wat onbenullig en geeft me het beeld dat ze met me speelt als met een lappenpop. Mijn insteek is altijd serieus contact dus ik vraag haar of ze uitgespeeld is. Meteen zet ze me in haar beeld neer en loopt van me weg. Ho, dat was ook niet de bedoeling! Dus loop ik naast haar mee maar dat bevalt me niet. Beleefd vraag ik of ze de tijd wil nemen voor een gesprek.
Meteen laat ze weten niet naar mensen te hoeven luisteren. Dat vind ik natuurlijk okee en ik vertel haar dat dit contact op een ander level is, niet fysiek. Dan wil ze wel communiceren.
Ze laat als eerste zien dat olifanten lange afstanden lopen. Dat zit in hun wezen. Hier kan ze voldoende lopen en bewegen maar het zijn geen lange afstanden in colonne.
Tijdens mijn dierentuinbezoek heb ik wat info opgevangen van een verzorger en ik vertel de olifant dat ik hoorde dat er onderzoeken gedaan zijn naar hun onderlinge communicatie. De verzorger vertelde dat in hun kop trillingen te voelen zijn. Deze olifant geeft door dat het om golven gaat.
Ze komt bij mij heel open en actief over en haar aandacht gaat ook snel ergens anders heen. Ze laat zien dat ze doet waar ze zelf zin in heeft. Ze lijkt in een eigen flow te zitten en vermaakt zich op een dag met bomen, publiek, andere olifanten, stokken, zand, water, lopen etc.
Ik moet het contact met haar echt goed gericht blijven houden dus vraag ik naar hun manier van onderling communiceren. Dan krijg ik het idee dat ze op ‘twee standen’ tegelijkertijd leven. Het trage van hun bewegen en de flow waar ze fysiek in zitten maar tegelijkertijd een razendsnel, fijngevoelig denken.
Met die fijngevoeligheid lijken ze te weten wat er buiten de muren van het nachtverblijf gebeurt. Weten ze wanneer de verzorgers er zijn/komen en hebben ze een ragfijn onderling contact.
Ik geef via een beeld door dat de verzorgers zich niet meer tussen de olifanten mengen omdat er ongelukken zijn gebeurd en dan zie ik dat de verzorgers helemaal niet van belang zijn! De olifant laat zien dat alles draait om wat er op hun ‘olifantenlevel’ gebeurt. Mensen nemen daarin een enorm kleine plaats in. Mocht er onderling wat zijn tussen de olifanten dan houden ze totaal geen rekening met de fysieke aanwezigheid van een mens. Vertrapping of iets dergelijks van mensen is dan niet meer dan een tak vertrappen die toevallig in de weg ligt. ‘Het speelt zich allemaal af op ons communicatieniveau.’
Ik ben werkelijk onder de indruk van de grootte van hun onderling (be)leven. De olifant laat zien dat de rol van de mens/verzorger zó klein is. Ik meen te moeten opmerken dat er toch heel wat mensen om hen heen zijn die zich een slag in de rondte werken om hun verblijf goed te maken. ‘Mensen leggen voedsel neer maar zijn van zo weinig betekenis voor ons.’ Ik geef haar via beeld en gevoel door dat het me schokkend lijkt om te horen als verzorger, als je met zoveel liefde voor die dieren werkt.
‘Maar je laat mij wel een kijkje nemen bij je,’ merk ik dan een beetje verbaasd op. ‘Ik neem ook een kijkje bij jou,’ is meteen het antwoord. Ik weet inmiddels dat op dit niveau van communiceren er inderdaad een wederzijdse uitwisseling is. En onbewust denk ik aan wat mijn intenties zijn om dit soort contacten aan te gaan. ‘Intenties laten zich niet verwoorden,’ hoor ik er pats boem overheen.

zaterdag 31 juli 2010

De jachtluipaard

De jachtluipaard laat meteen weten enorm te kunnen springen en hard te kunnen rennen.
‘Doe je dat ook?’ vraag ik haar.
‘Nee, er zijn hekken.’ Ze laat weten dat een sprint al snel stuit op de hekken. Ze leeft met ingehouden kracht en snelheid. Het voelt als een ingehouden veer, alsof ze steeds klaar staat in de startblokken.
Ik vraag naar de jongen en hoor: ‘Ze zijn van mij. Ik voed ze op.’ Meteen laat ze zien dat opvoeden van jongen een afgebakende periode is. Op een gegeven moment is het klaar.
‘Goh,’ merk ik wat sullig op, ‘bij ons mensen is het geloof ik nooit klaar. We blijven ons vaak verantwoordelijk voelen voor onze kinderen, ons met ze bemoeien.’
De jachtluipaard vindt dat raar: ‘Op een gegeven moment moet je het afsluiten. Dan zit de taak erop.’
‘Wat is de taak precies?’ wil ik weten, op zoek naar een antwoord waar ik zelf wellicht wat aan kan hebben.
‘Het leven doorgeven. Daarna gaat het vanzelf door via hen.’

zondag 18 juli 2010

De goudwang gibbon

Met deze moeder is iets niet helemaal goed, lijkt me. Het eerste wat ze namelijk doet is zich in mijn beeld in mijn armen storten en daar geborgenheid zoeken. Het roept vragen bij me op: Komt ze zelf tekort? Is ze vroeger als jong tekort gekomen? Is ze te vroeg bij haar eigen moeder weggehaald? Heeft ze geen vriendinnen?
Ik krijg er niet duidelijk een antwoord op. In dit geval zou het heel erg helpen als iemand wat meer kon vertellen van haar verleden zodat dat openingen geeft voor haar en mij.
Het komt bij mij over of ze haar jong erg bij zichzelf houdt, een beetje als ‘hebbeding’. En ik vraag me af of ze het wel goed kan opvoeden, of haar eigen moeder wel een goed voorbeeld is geweest voor haar. In mijn beeld schiet ze weg met het jong, alsof ze het moet afschermen.
Ik probeer erachter te komen of ze wat meer van zichzelf kan vertellen en krijg van haar de indruk dat ze timide en teruggetrokken is. Ik leg haar mijn indruk voor dat ze moeite heeft met het opvoeden en het lijkt erop of ze mij vraagt wat te doen. Maar ik heb natuurlijk geen verstand van apen dus ik vraag of ze bij haar verzorgers terecht kan. Ze laat weten dat betrokken verzorgers gedachten kunnen overbrengen naar haar, haar zo kunnen leren hoe ze met het jong moet omgaan.
Dit dier komt bij mij heel onzeker over en bij het afscheid nemen wens ik haar sterkte en het beste toe.

De rog

De rog lijkt haast te hebben. Het lijkt of hij ergens heen wil maar het nooit bereikt.
Hij weet zelf dat het rondjes zijn die hij zwemt en ik vermoed dat vrije roggen een groot leefgebied hebben. Ik krijg ook de indruk dat hij verschillende plekken nodig heeft om naar toe te kunnen zwemmen.
Ik zag dat er bijna altijd wel een vis(je) onder hem zwemt en vraag de rog naar de reden. Wat ik begrijp is dat de vis onder hem in een soort zuiging meegaat.
In tegenstelling tot de blauwring doktersvis lijkt deze rog geen last van de pomp te hebben. Maar hij heeft wel een probleem: het niet kunnen bereiken van zijn doel. Hij laat zelfs weten dat hij niet gek is en heus wel weet dat het rondjes zijn die hij zwemt. ‘Er is geen doorgang, zodat ik niet verder kan.’
Deze rog doet me wat denken aan de jakhals. Die moet ook maar door en door en bereikt ook niet wat hij wil.
Dit dier is de enige die vraagt: 'Je kunt zeker niks voor me doen?' Ik zeg hem dat ik alleen op deze blog kan schrijven wat hij te vertellen heeft en dat het verder aan de verantwoordelijke personen is om er wat mee te doen of niet.

zaterdag 17 juli 2010

De leeuwin

Als ik contact maak met de leeuwin komt ze in mijn beeld voor me heen en weer lopen, mij ondertussen observerend. Even zien wat voor vlees ze in de kuip heeft. Dat laat ik altijd toe: het is een soort kennismaking met elkaar.
Deze leeuwin zegt als eerste dat het kaal is. Er zijn geen welpen. Ik weet niet of ze het alleen over zichzelf heeft of over de groep maar het lijkt of haar/hun cyclus verstoord is.
Dan laat ze weten graag iets bewegends te grijpen en ik voel meteen dat de verzorgers niet veilig zijn bij haar in de buurt. Ze gaat door met vertellen: ‘Het is niet alleen het eten maar ook het vangen. Er gaat een enorme krachtmeting aan het eten vooraf. Het niet kunnen rennen en vangen is een groot gemis. Na het rennen (en eten) is het goed rusten. Dit is rust zonder inspanning geleverd te hebben.’
Zij laat net als de pelikanen zien dat ze bijzonder weinig van haar capaciteit kan gebruiken.
Ze laat ook zien dat ze de deur in de gaten houdt. Ze weet dat daar de ontsnappingsmogelijkheid ligt. Denkend aan de reactie van een bloglezer over het ontsnappen van dierentuindieren vraag ik waarom deze leeuwin hier op dit moment is, ervan uitgaand dat de dolfijn gelijk heeft en geen enkel mens of dier ergens zonder reden is (zie reactie 4 bij de slangenhalsvogel).
‘Voor mij is dit een les in geduld, in incasseren. Accepteren dat de ruimte zo beperkt is.’
Maar er is duidelijk verveling bij deze leeuwin. ‘Rust is alleen fijn als er inspanning is geweest.’ Nogmaals laat ze weten heel graag te willen jagen.
Ik vraag haar: ‘Kan ik zeggen dat jullie uit je kracht gehaald zijn?’ ‘Wij hebben onze kracht nooit gekend,’ antwoordt ze. Maar ze weet dat ze een groot potentieel in zich heeft.
Ik vraag wat ze gaat doen als ze zou kunnen uitbreken en ik zie voor me dat ze dan een kind grijpt. Daar doet ze niet ingewikkeld over. Dan gaat ze los. Zo is haar natuur.

De pelikanen

Het is even zoeken bij deze dieren hoe het contact gaat. Het lijkt het beste om niet een individueel dier te vragen maar de hele groep. Had ik van te voren maar even nagelezen hoe het gesprek met vrije pelikanen ging, dan wist ik weer dat het niet om individuen gaat maar om de groep.
Ik wist me nog wel te herinneren van de vrije pelikanen dat ze blij en ongecompliceerd waren. Van deze pelikanen hoor ik: ‘De blijheid zit ‘m in de vrijheid. Hier is het niet vrij dus we zijn niet blij.’
Het geheel rond hen voelt stilstaand, te weinig dynamiek. Misschien is hun ruimte te afgesloten, te weggestopt in een hoekje. Er is ook te weinig woelig/stromend water, zeggen ze en ik vraag me af of ze in de natuur in ruigere leefgebieden leven. Dit is in ieder geval te tam voor ze. Er lijken onderlinge irritaties te ontstaan doordat ze te dicht op elkaar zitten. Ook bij deze dieren krijg ik een ‘vierkant gevoel’, een opgesloten zijn.
Ik vraag of ze gelukkig zijn en hoor terug dat er maar weinig van hun capaciteit gebruikt kan worden. Het lijkt of ze een hoge ademhaling hebben waardoor de levensadem hoog in hun lijf blijft. De rest stroomt niet lekker door, wordt onvoldoende gebruikt. Ik krijg 15% door en vermoed dat ze bedoelen dat ze maar 15% van hun capaciteit kunnen gebruiken hier.